Een DMX-patch maken: universes, adressen en een patchlijst

Een goede DMX-patch zorgt dat elke fixture reageert zoals de lichttafel verwacht. Fouten zitten meestal in dubbele adressen, een verkeerde mode of een kabel die op de verkeerde splitter-output zit.

Bijgewerkt op · NextOrange B.V.

Wat is een DMX-universe?

DMX512 stuurt per lijn 512 kanalen aan: dat is één universe. Elke fixture gebruikt een aantal opeenvolgende kanalen, afhankelijk van de mode waarin hij staat. Een wash in een 16-kanaals mode die op adres 1 begint, gebruikt de kanalen 1 tot en met 16.

Heb je meer kanalen nodig, dan gebruik je meer universes. Via netwerkprotocollen zoals Art-Net of sACN gaan die over ethernet naar nodes, die er weer losse DMX-lijnen van maken.

Adressen kiezen zonder overlap

  1. Bepaal per fixturetype de mode en dus het aantal kanalen.
  2. Groepeer fixtures die bij elkaar horen, bijvoorbeeld per truss of positie.
  3. Geef elke groep een eigen adresbereik binnen een universe, met de footprint van de fixtures achter elkaar.
  4. Controleer dat geen enkel bereik overlapt en dat de laatste fixture niet over kanaal 512 heen gaat.

Laat per universe wat ruimte over. Een extra fixture of een andere mode op de dag zelf past dan nog zonder dat je alles moet verschuiven.

De signaalketen: node, splitter, fixtures

Een DMX-lijn is een daisy chain: van de node of tafel naar de eerste fixture, en van daar door naar de volgende. Een lijn kan een beperkt aantal apparaten aansturen (bij standaard RS-485 32 unit loads), en lange of zwaar belaste lijnen worden onbetrouwbaar.

  • Splitters verdelen één universe over meerdere lijnen en scheiden ze galvanisch, zodat een fout op de ene lijn de andere niet raakt.
  • Maak nooit een Y-splitsing met een kabel: gebruik een splitter.
  • Sluit het einde van elke lijn af met een terminator van 120 ohm.
  • Gebruik DMX-kabel (120 ohm), geen microfoonkabel.

Checklist voor de patchlijst

  • Per universe: welke groepen erop zitten en welke adressen vrij zijn.
  • Per fixture of groep: type, mode, startadres en positie.
  • Per node en splitter: welke output naar welke lijn of groep gaat.
  • Afvinkvakjes, zodat de bekabeling op de vloer bijhoudt wat er al ligt.